VVPR-bis of liquidatiereserve: wie wint de dividendbattle?
Je vennootschap maakt winst. Mooi. De vennootschapsbelasting is betaald. Iets minder mooi. En nu wil je die winst uiteindelijk graag op je privérekening krijgen.
Heel mooi.
Alleen komt België dan nog één keer vriendelijk aankloppen. Want geld uit je vennootschap halen via een dividend betekent normaal gezien:
30% roerende voorheffing.
Gelukkig bestaan er voor kleine vennootschappen twee interessante alternatieven:
VVPR-bis en de liquidatiereserve.
Twee fiscale systemen. Twee manieren om winst voordeliger naar privé te halen. En sinds de recente fiscale hervormingen lijken ze zelfs behoorlijk sterk op elkaar.
Dus…
Welke kies je?
Tijd voor de grote Finsy Dividend Battle™.
In de linkerhoek: VVPR-bis 
VVPR-bis is een gunstregime waarbij bepaalde dividenden van kleine vennootschappen tegen een verlaagd tarief van roerende voorheffing kunnen worden uitgekeerd.
Maar — want dit blijft Belgische fiscaliteit — daar zijn natuurlijk voorwaarden aan verbonden.
VVPR-bis is gekoppeld aan je aandelen en de inbreng waarmee die aandelen werden uitgegeven.
Onder andere de datum van de inbreng, het feit dat het om een inbreng in geld gaat, het ononderbroken bezit van de aandelen en het statuut van de vennootschap spelen een rol.
Het is dus niet:
“Ik heb een BV, dus ik heb VVPR-bis.” Was het maar zo simpel.
En in de rechterhoek: de liquidatiereserve 
De liquidatiereserve werkt helemaal anders. Hier kijken we niet naar je aandelen, maar naar de winst van je vennootschap.
Een kleine vennootschap kan bij de winstverdeling beslissen om een gedeelte van de winst na belasting onder te brengen in een zogenaamde liquidatiereserve. Op het moment dat je die reserve aanlegt, betaalt je vennootschap een afzonderlijke heffing van 10%.
Auw!
Maar daarna kan die reserve onder bepaalde voorwaarden later voordeliger worden uitgekeerd. Je betaalt dus eigenlijk vandaag al een stukje belasting om later fiscaal voordeliger te kunnen uitkeren. Een soort fiscale reservatie.
Tafeltje voor twee, binnen drie jaar graag.
Maar wacht eens… waren de regels niet veranderd?
Jawel.
En behoorlijk ook.
Tot voor kort was het verschil tussen beide systemen groter.
VVPR-bis kende uiteindelijk een tarief van 15% roerende voorheffing.
Bij de klassieke liquidatiereserve betaalde je bij aanleg een afzonderlijke heffing van 10% en kon je na een wachttermijn van vijf jaar uitkeren tegen 5% roerende voorheffing.
Maar de wetgever besloot beide systemen meer op elkaar af te stemmen.
En daarna besloot hij er in 2026 nóg eens aan te sleutelen.
Want waarom zouden we fiscale regels één keer veranderen als het ook twee keer kan?
De situatie vanaf 2026
Voor nieuwe situaties komen VVPR-bis en liquidatiereserve vandaag opvallend dicht bij elkaar.
Na de vereiste wachttermijn komt de uiteindelijke belastingdruk in beide systemen in principe uit op ongeveer:
18%.
Maar de manier waarop je daar geraakt, verschilt.
VVPR-bis
Bij een kwalificerend VVPR-bis-dividend bedraagt het verlaagde tarief vanaf 1 juli 2026:
18% roerende voorheffing.
Je betaalt de belasting dus wanneer het dividend wordt uitgekeerd.
Nieuwe liquidatiereserve
Bij de aanleg betaal je eerst:
10% afzonderlijke heffing.
Na de wachttermijn van drie jaar bedraagt de roerende voorheffing bij uitkering:
9,8%.
Door de combinatie van beide heffingen komt de totale effectieve belastingdruk eveneens uit rond:
18%.
Fiscaal gezien zijn de twee broertjes dus een stuk meer op elkaar gaan lijken.
Maar identieke tweelingen?
Zeker niet.
We maken het concreet
Stel dat je €100.000 winst na vennootschapsbelasting beschikbaar hebt die je uiteindelijk privé wilt krijgen.
We vereenvoudigen het voorbeeld bewust.
Via VVPR-bis
Je hebt €100.000 beschikbaar voor dividend.
Bij een kwalificerende uitkering aan 18% betaal je:
Roerende voorheffing: €18.000
Netto privé:
€82.000
Duidelijk.
Via liquidatiereserve
Hier werkt de berekening anders omdat de afzonderlijke heffing van 10% bovenop het bedrag van de aangelegde reserve wordt berekend.
Heb je €100.000 beschikbaar voor de aanleg én de afzonderlijke heffing, dan kun je ongeveer:
€90.909
in liquidatiereserve plaatsen.
De afzonderlijke heffing bedraagt dan ongeveer:
€9.091
Na de wachttermijn kan die reserve bij een uitkering tegen 9,8% nog eens belast worden.
Roerende voorheffing:
ongeveer €8.909
Netto privé:
ongeveer €82.000
Kijk eens aan.
Bij dezelfde beschikbare pot komen we in deze vereenvoudigde vergelijking uiteindelijk ongeveer op hetzelfde nettoresultaat uit.
€82.000 privé.
Dus artikel gedaan?
VVPR-bis = liquidatiereserve?
Niet zo snel.
Verschil 1: wanneer betaal je belasting?
Dit is een belangrijk verschil.
Bij VVPR-bis blijft het geld in principe gewoon in je vennootschap totdat je beslist om een dividend uit te keren.
Pas bij de uitkering wordt de roerende voorheffing betaald.
Bij de liquidatiereserve betaal je de 10% afzonderlijke heffing meteen bij de aanleg.
Je geeft dus onmiddellijk een deel van je cash af.
Dat geld kan daarna niet meer voor je onderneming werken.
Vanuit puur cashflowperspectief kan VVPR-bis daardoor aantrekkelijker zijn.
Later belasting betalen is meestal leuker dan vandaag belasting betalen.
Verschil 2: niet iedereen heeft recht op VVPR-bis
Dit is misschien wel de belangrijkste.
Je kunt VVPR-bis alleen gebruiken wanneer je aandelen aan de wettelijke voorwaarden voldoen.
Heb je bijvoorbeeld een oudere vennootschap of voldoen je aandelen of oorspronkelijke inbreng niet aan de voorwaarden?
Dan kan VVPR-bis mogelijk niet beschikbaar zijn.
Een liquidatiereserve kan voor een kleine vennootschap dan een interessant alternatief vormen.
Met andere woorden:
Je kiest niet altijd tussen VVPR-bis en liquidatiereserve.
Soms kiest de historiek van je vennootschap voor jou.
Verschil 3: de liquidatiereserve moet je ieder jaar plannen
Een liquidatiereserve ontstaat niet vanzelf.
Bij de resultaatverwerking moet beslist worden hoeveel winst je aan de liquidatiereserve wilt toevoegen.
Doe je dat niet?
Dan kun je enkele jaren later niet plots zeggen:
“Die winst van 2026? Kunnen we daar alsnog een liquidatiereserve van maken?”
Nee.
Die trein is dan vertrokken.
Daarom moet je bij een vennootschap eigenlijk ieder jaar nadenken over de bestemming van de winst.
Heb je het geld binnenkort nodig?
Wil je het in de vennootschap houden?
Wil je later dividenden uitkeren?
Heb je VVPR-bis?
Wil je een liquidatiereserve aanleggen?
Dat zijn beslissingen die je best maakt vóór de jaarrekening wordt afgewerkt.
Niet drie jaar later.
Verschil 4: wat als je de vennootschap ooit vereffent?
En hier krijgt de liquidatiereserve plots een interessante troef.
Bij een liquidatie van de vennootschap kan een correct aangelegde liquidatiereserve onder de wettelijke voorwaarden worden uitgekeerd zonder bijkomende roerende voorheffing.
Je hebt dan uiteraard wel al de afzonderlijke heffing van 10% betaald bij de aanleg.
Dat kan interessant zijn voor ondernemers die verwachten hun vennootschap op termijn stop te zetten.
Bij VVPR-bis bestaat dat specifieke voordeel niet op dezelfde manier.
Je langetermijnplanning speelt dus mee.
Een ondernemer van 35 die zijn BV nog twintig jaar wil gebruiken, kan tot een andere conclusie komen dan iemand die over enkele jaren zijn activiteiten wil stopzetten.
Verschil 5: oude liquidatiereserves zijn extra interessant
Heb je al liquidatiereserves opgebouwd vóór de nieuwe regels?
Niet zomaar aankomen.
Voor oudere liquidatiereserves bestaan overgangsregels.
Afhankelijk van wanneer de reserve werd aangelegd en hoelang je wacht, kunnen nog andere tarieven gelden.
Voor bepaalde oude reserves kan bijvoorbeeld nog een uitkering mogelijk zijn tegen 5% roerende voorheffing na de oorspronkelijke wachttermijn van vijf jaar.
In combinatie met de afzonderlijke heffing die bij de aanleg werd betaald, kan dat fiscaal voordeliger zijn dan de nieuwe regeling.
Er bestaat voor bepaalde oude reserves ook de mogelijkheid om vroeger uit te keren tegen een hoger tarief.
Daarom moet je oude liquidatiereserves eigenlijk reserve per reserve bekijken.
Niet alles op één hoop gooien.
“Dan keer ik mijn liquidatiereserve gewoon vroeger uit”
Kan.
Maar dan verdwijnt een groot stuk van het fiscale voordeel.
Voor nieuwe liquidatiereserves geldt dat een uitkering vóór het einde van de vereiste wachttermijn in principe onderworpen wordt aan het gewone tarief van 30% roerende voorheffing.
En vergeet niet:
je hebt bij de aanleg óók al die afzonderlijke heffing van 10% betaald.
Dat kan dus behoorlijk pijnlijk worden.
Een liquidatiereserve aanleggen voor geld waarvan je denkt dat je het volgend jaar privé nodig hebt?
Niet noodzakelijk het beste plan.
En wat als ik vandaag €100.000 op mijn rekening heb staan?
Dan is de eerste vraag niet:
“VVPR-bis of liquidatiereserve?”
De eerste vraag is:
“Waar komt die €100.000 vandaan?”
Is het winst van dit jaar?
Overgedragen winst?
Een bestaande liquidatiereserve?
Hoe oud is die reserve?
Wanneer werd je vennootschap opgericht?
Wanneer werden de aandelen uitgegeven?
Hoe gebeurde de inbreng?
Kom je in aanmerking voor VVPR-bis?
Hoeveel cash heeft je vennootschap werkelijk nodig?
En wanneer wil jij het geld privé gebruiken?
Pas daarna kunnen we een zinnig antwoord geven.
Dus… wat is beter?
Tijd voor het verdict.
VVPR-bis kan interessant zijn wanneer:
je aandelen aan alle voorwaarden voldoen;
je vennootschap nog langere tijd actief blijft;
je flexibel wilt blijven met de winst;
en je liever geen afzonderlijke heffing vooraf betaalt.
De liquidatiereserve kan interessant zijn wanneer:
VVPR-bis niet beschikbaar is;
je structureel winst opbouwt die je niet onmiddellijk privé nodig hebt;
je vooraf dividendplanning wilt doen;
of een toekomstige vereffening van de vennootschap een belangrijke rol speelt.
En soms?
Gebruik je beide.
Fiscaliteit hoeft geen voetbalwedstrijd te zijn waarbij je voor eeuwig één ploeg kiest.
De échte winnaar is planning
En dat is eigenlijk de belangrijkste conclusie van dit hele verhaal.
Niet VVPR-bis.
Niet de liquidatiereserve.
Planning wint.
Want het grootste fiscale voordeel ontstaat meestal niet door in december nog snel iets te beslissen.
Het ontstaat doordat je vandaag al weet wat je binnen drie, vijf of tien jaar met je geld wilt doen.
Wanneer verwachten we winst?
Hoeveel geld moet in de vennootschap blijven?
Hoeveel wil je privé?
Wanneer heb je dat geld nodig?
Welke reserves bouwen we op?
Wanneer kunnen we ze uitkeren?
Dat is dividendplanning.
En dat vinden wij een pak interessanter dan ieder jaar opnieuw vragen:
“Hoe krijgen we zoveel mogelijk geld uit de vennootschap?”
Finsy kijkt een paar jaar verder
Bij Finsy willen we niet alleen berekenen hoeveel belasting je dit jaar moet betalen.
We kijken liever wat er daarna gebeurt.
Heb je recht op VVPR-bis?
Welke liquidatiereserves staan er al op je balans?
Wanneer kunnen die fiscaal voordelig worden uitgekeerd?
Is het interessant om dit jaar een nieuwe liquidatiereserve aan te leggen?
Of houden we de winst beter beschikbaar?
Niet zomaar winst uitkeren. Eerst een plan maken.
Want als je drie jaar moet wachten om fiscaal voordelig geld uit je vennootschap te halen…
kun je maar beter drie jaar op voorhand beginnen nadenken.
Finsy. Vandaag boekhouden. Morgen al een beetje meerekenen.

